Parels uit de Historische Collectie | Soldatenkleding rond de mobilisatie van 1914

18-10-2019

het zakboekje van soldaat Jan Roetman - Pampus soldaten tijdens de mobilisatie van 1914 - historisch beeldarchief Forteiland Pampus

foto: Welke kleding kreeg de soldaat? Hier een overzicht uit het zakboekje van ‘Loteling’ Jan Roetman.

Blz. 62
Op 31 juli 1914 om half twee tekende koningin Wilhelmina het mobilisatiebesluit dat de militie en landweer opriep zich op zaterdag 1 augustus bij hun legeronderdelen te melden. Tegelijkertijd tekende ze de benoeming van luitenant-generaal Snijders tot opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht, een positie die hij zou combineren met zijn functie als chef van de Generale Staf. De eerste oproepingstelegrammen werden om twee uur verzonden.

Om klokslag drie uur werden de mobilisatieoproepen, wit voor de Militie en groen voor de Landweer, opgeplakt op gemeentehuizen, openbare gebouwen, krantenbureaus, winkels en aanplakborden. Een half uur later begonnen overal de kerkklokken te luiden om de bevolking op het nieuws te attenderen.

Het legertje grootverlofgangers dat zich die eerste augustus aan de kazernepoorten kwam melden, maakte een bijzonder sjofele indruk.

Blz. 68
Als voorzorgsmaatregel van het burgerlijk gezag had men de ‘houders van tapperijen en bierhuizen’ opgedragen hun zaak op zaterdagochtend gesloten te houden.

Het leger was die eerste augustusdagen plotseling prominent aanwezig in de Nederlandse samenleving. Voor beroepsmilitairen was dit een mooi moment. De militair stond nu plotseling in aanzien.

Toch verliep niet de hele mobilisatie van een leien dakje. Om een snelle mobilisatie mogelijk te maken, hadden de meeste soldaten die in de vooroorlogse jaren met groot verlof gingen hun bijna volledige uitrusting meegekregen. Alleen munitie en wapens waren achter gehouden. Verder had elke soldaat een luttel geldbedrag ontvangen op voorwaarde dat ze in geval van mobilisatie zelf voor ondergoed zouden zorgen. Het had in de bedoeling gelegen dat verlofgangers een dag per jaar werden teruggeroepen opdat gecontroleerd zou kunnen worden of ze hun uitrusting wel goed onderhielden, maar in de praktijk was van deze regeling niets terecht gekomen. Vandaar dat het legertje grootverlofgangers dat zich die eerste augustus aan de kazernepoorten kwam melden een bijzonder sjofele indruk maakte. Vooral het schoeisel verkeerde in deplorabele staat: uit praktische overwegingen had men er veelal voor gekozen in het burgerbestaan eerst de soldatenkistjes af te dragen, zodat deze ondertussen zo vaak verzoold en opgelapt waren dat ze nog maar nauwelijks draagbaar waren. De bovenkleding verkeerde al evenmin in goede staat en voor wat betreft het eigen ondergoed: daar bleek de overgrote meerderheid niet voor gezorgd te hebben. De gevolgen bleven niet uit. Tien dagen na de mobilisatie noteerde de Helderse aalmoezenier Alink in zijn dagboek dat ‘de uniformen, zoo langen tijd ongebruikt, thans te veel gebruikt, maken, dat je een soldaat ruikt voor je hem ziet.’

Nieuwe schoenen en kleding konden door het leger niet onmiddellijk verstrekt worden, omdat in het kader van de bezuinigingen de magazijnvoorraden bijzonder klein waren gehouden.

Blz. 426
De wapenstilstand wordt op 11 november 1918 gesloten. Al op 12 november maakt de Minister van Oorlog bekend dat 122.000 van de 237.000 gemobiliseerden naar huis mogen. Tussen 14 en 19 november vertrekken de lichtingen van 1916 en ouder met klein verlof.

Bij de demobilisatie trachtten de legerautoriteiten lering te trekken uit de ervaringen die waren opgedaan tijdens de mobilisatie van augustus 1914. Toen was onder andere gebleken dat de meegegeven uitrusting van augustus 1914 in slechte staat verkeerde, doordat de manschappen het militaire schoeisel en ondergoed in het burgerbestaan hadden afgedragen. Daarom was aanvankelijk besloten deze uitrustingsstukken niet meer aan de grootverlofgangers mee te geven. Logistieke problemen in combinatie met de snelheid van de demobilisatie maakten inname en opslag van de soldatenkistjes echter onmogelijk, zodat de verlofgangers uiteindelijk wel met twee paar schoenen naar huis werden gestuurd. Om het burgergebruik te ontmoedigen waren de schoenen echter verzegeld.

Veel verlofgangers besloten hun uitrustingsstukken te verkopen. Koppels, patroontassen en ander leergoed werden allerwegen grif opgekocht. In tal van plaatsen zag men halve militairen lopen, soms door mensen van 40-60 jaar. Zij hadden dus voor het merendeel die pakken bij uitdragers gekocht of dat een soldaat, die een of twee werkpakken meekreeg, deze te gelde had gemaakt.

Er werd ook veel gestolen. Het openbreken van rustkamers was aan de orde van de dag. Zelfs de rustkamers, die onder militaire bewaking gesteld waren, werden bestolen, omdat de schildwachten gemene zaak maakten met de dieven.

Uit: Paul Moeyes “Buiten Schot”

 

Zie ook de vorige parel aan de ketting!